Loading...
ZENITH 2018-04-09T11:21:56+00:00
KOOP DE BOEKEN

ZENITH DE EENHOORN

Die morgen kwam de professor haar vroeg wekken. Hij had een zakje bij zich waarin hij een appel had gestopt.

Henriëtta keek hem met slaperige ogen aan.

“Ik zie je binnen een half uurtje beneden aan de trap. Zorg dat je makkelijke kleren en schoenen draagt.”

Henriëtta knikte, ging zich snel wassen, kleedde zich aan en spoedde zich naar de inkomhal waar de professor haar al opwachtte.

Hij glimlachte toen hij de gretigheid zag waarmee ze haar nieuwsgierigheid om de verrassing die hij voor haar in petto had wilde bevredigen.

“Laten we gaan.” zei hij.

Ze wandelden in de richting van het bos.

“We moeten niet te ver lopen, maar datgene waar we naar op zoek zijn is het mooist bij het opkomen van de zon. Het is zeker de moeite waard om er zo vroeg voor op te staan.”

Henriëtta begreep er niets van.

“Het zal je allemaal wel snel duidelijk worden.”

Ze hoefden niet ver te lopen, want even later hoorden ze geritsel in het struikgewas.

“Ik denk dat hij daar is. Nu moet je even stil zijn.” zei hij tegen Henriëtta.

“Zenith…” riep de professor in de richting vanwaar het geluid was gekomen.

Toen zag Henriëtta het mooiste, wonderbaarlijkste en schitterendste wezen dat ze ooit had gezien hun richting uit komen. Op het eerste zicht leek het een wit paard, maar toen ze beter keek zag ze dat het dier een witte spiraalvormige hoorn op zijn fiere voorhoofd droeg. Het had lange witte manen en harige benen. Op zijn rug had het dier twee samengevouwen witte vleugels als van een engel. Zijn lange witte staart maakte de betovering compleet.

Henriëtta staarde ademloos naar het prachtige schepsel dat op de professor afstapte en de appel pakte die hij voor hem uit de zak had genomen.

“Dit is Zenith,” stelde de professor hem aan Henriëtta voor.

“Zenith, dat is Henriëtta.” Alsof Zenith deze woorden had begrepen keek hij Henriëtta met een intelligente blik in zijn ogen aan en snoof nieuwsgierig aan haar hand.

“Henriëtta zal je nu verzorgen, Zenith.”

Henriëtta staarde vol ongeloof naar de professor. Liet hij de verzorging van dit prachtige schepsel aan haar over?

Vol ontzag streelde ze de hals van de eenhoorn en als teken van vertrouwen boog het dier zijn prachtige hoofd naar haar toe en streelde met zijn neus langs haar linkerarm.

Professor Penates glimlachte tevreden.

“Hij vertrouwt je nu al. Je moet erg bijzonder zijn. Eenhoorns zijn uitzonderlijk intelligente wezens en voelen mensen feilloos aan.”

Henriëtta voelde een rilling over haar rug lopen. Dit moment zou ze nooit meer vergeten.

“Wil je hem berijden?”

“Ik… Ik…” aarzelde ze.

“Ik heb nog nooit op een paard gereden.”

Zenith leek even beledigd door deze woorden en snoof, maar de professor suste hem door zijn hand op zijn nek te leggen.

“Noem Zenith nooit een paard, Henriëtta. Zenith is een eenhoorn. Een eenhoorn een paard noemen is ongeveer hetzelfde als een zwaan een kip noemen. Kom, het komt wel goed.”

De professor tilde Henriëtta op alsof ze een veertje was en zette haar op de rug van het edele dier. Zenith moest gevoeld hebben dat Henriëtta bang en onzeker was, want hij drukte zijn vleugels stevig tegen haar benen zodat ze zich veilig en beschermd voelde op zijn rug.

“Ga maar, Zenith,” fluisterde de professor in zijn oor terwijl hij hem nog eens liefdevol over zijn nek aaide.

Zenith kwam rustig in beweging, hij stapte met haar een eindje het bos in tot hij voelde dat Henriëtta zich veilig genoeg voelde om het tempo wat op te drijven. Instinctief greep Henriëtta het dier bij zijn nek vast en dat was voor hem aanleiding genoeg om een voorzichtige galop in te zetten.

Henriëtta haalde even adem toen ze merkte wat hij deed, maar toen ze besefte dat ze volmaakt veilig was begon ze te genieten van de regelmatige cadans van het prachtige gespierde eenhoornlichaam onder zich.  Ze was bereid zich te laten meevoeren naar ongekende oorden.

Henriëtta omsloot nu met haar armen de nek van het dier, terwijl hij zijn snelheid verhoogde. Ze zag hoe de bomen sneller en sneller langs hen heen zoefden, het leek wel of ze vlogen, maar Zenith hield nog steeds zijn vleugels tegen haar benen gespannen en toen Henriëtta naar de grond onder hen keek zag ze dat ze nog steeds over de grond zoefden.

Dit moet wel een magisch wezen zijn om tot zoiets in staat te zijn, dacht Henriëtta vol ontzag. Zenith moest gevoeld hebben dat Henriëtta genoot, want hij schudde zijn prachtige hoofd op en neer, terwijl hij verder vaart maakte.

Henriëtta kon zich niet langer inhouden en liet een luid “Joehoe” aan haar lippen ontsnappen.

De vogels, die in de bomen net wakker werden onder invloed van het licht van de opgaande zon vlogen verschrikt op.

Even verderop kwamen ze aan een open ruimte. Zenith minderde vaart en kwam uiteindelijk tot stilstand. Toen ging hij liggen om Henriëtta de kans te geven van zijn rug te glijden.

Toen ze was afgestapt en naar Zenith keek begreep ze waarom de professor haar had gezegd dat Zenith het mooist was in het licht van de opgaande zon. Henriëtta had Zenith daarnet al prachtig gevonden, maar nu stokte haar adem bij de aanblik van dit schouwspel. Zijn vacht leek wel uit puur goud te bestaan nu de zon haar eerste stralen over het dier liet glijden. Zijn hoorn schitterde als de zuiverste diamant. Het prachtige wezen straalde zowel in houding als in uiterlijk een wonderbaarlijke schoonheid uit. Henriëtta hield haar adem in. Zenith brieste en zwaaide trots met zijn spierwitte vleugels. Op het ogenblik dat hij het luchtruim verkoos boven de zekerheid van het door de dauw bevochtigde gras onder zijn hoeven steeg hij op. Henriëtta staarde met wijd open mond naar dit prachtige spektakel. Zenith genoot duidelijk van zijn vlucht en Henriëtta’s aanbidding. Hij schudde zijn edele hoofd op en neer en landde na een aantal rondjes opnieuw naast Henriëtta. Hij stapte op haar af en liet toe dat Henriëtta zijn sierlijke nek streelde. Toen ging hij weer liggen. Henriëtta klom op zijn rug en ze keerden terug naar de professor, die hen geduldig stond op te wachten op de plaats waar ze hem achtergelaten hadden. Toen hij de opgewonden uitdrukking op Henriëtta’s gezicht zag, glimlachte hij tevreden.

“Heb je met Zenith kennis kunnen maken?”, vroeg hij terwijl hij haar van zijn rug tilde.

Henriëtta was nog steeds zo onder de indruk van hetgeen ze zonet ervaren had, dat ze even geen woord kon uitbrengen.

Professor Penates glimlachte vaderlijk en knikte dat hij het begreep.

“Indrukwekkend hé, nietwaar?”

Henriëtta knikte alleen maar.

Zenith stapte op Henriëtta af en duwde met zijn neus tegen haar arm. Henriëtta, nog steeds onder de indruk, aaide zijn slanke nek.

“Dit is zijn manier om vandaag afscheid van je te nemen.”

Henriëtta keek Zenith in de ogen en omhelsde zijn fiere hals. Een warm gevoel trok door haar ganse lichaam. Toen ze hem loste wreef hij nog even met zijn neus tegen professor Penates’ uitgestoken hand en verdween in de richting van het bos.

Henriëtta stond gebiologeerd voor zich uit te staren en wist geen woord uit te brengen.

De professor leek een dergelijke reactie wel verwacht te hebben en gaf haar even de tijd om tot zichzelf te komen.

“Eenhoorns zijn toch magische wezens. Die bestaan toch niet.” Wist ze uiteindelijk uit te brengen.

De professor glimlachte mysterieus…

koop de boeken
contacteer ons om de cd te bestellen
Spread the message