Loading...
HOOFDSTUK 1 2018-04-09T11:11:22+00:00
koop de boeken

HOOFDSTUK 1

Henriëtta staarde met een vastberaden blik tegen de metershoge muur op. Het leek een onmogelijke opdracht erover te klimmen, maar ze zou Henriëtta niet zijn als ze zich door iets schijnbaar onmogelijks liet ontmoedigen.
De natuurstenen muur straalde een blauwachtige gloed uit. Henriëtta probeerde met de wijsvinger van haar rechterhand de muur aan te raken maar trok onmiddellijk haar hand terug…

Ze vloekte binnensmonds.
De muur was ijzig koud. Zo koud zelfs dat ze het topje van haar vinger verbrandde bij de lichtste aanraking. Ze trok een pijnlijke grimas, terwijl ze haar vinger in haar mond stak in een poging de pijn eruit te zuigen. Dit lukte niet bijster goed maar Henriëtta was wel meer pijn gewend. Haar bruingebrande gezicht zat onder de modder en de schrammen van het ploeteren door velden en bossen. Haar lange donkerbruine haar hing in dreadlocksachtige klitten over haar schouders. Ze was niet echt groot maar wel erg lenig waardoor ze hierbij in het voordeel was. Voor haar zestien jaar was ze vroegrijp en sterk voor haar leeftijd, maar dat waren alle meisjes uit haar dorp. Het was geen gemakkelijk leven, maar Henriëtta bezat iets wat de anderen niet bezaten. Doorzettingsvermogen, discipline en intelligentie waren haar tweede naam en Henriëtta had zich een doel gesteld.
Ze richtte haar aandacht weer op de muur die voor haar ogen opdoemde. Ze moest en zou dit magische bastion doorbreken en de geheimen die erachter schuilgingen onthullen. Ze ging op zoek naar een zwakke plek in het bouwwerk, maar leek er geen te kunnen vinden. Ze liep langs de muur in oostelijke richting terwijl het maanlicht op het grote, donkere bos scheen dat ze zojuist achter zich had gelaten.
Op de grond vond ze een stevige tak. Ze nam die in haar met modder besmeurde handen en begon er het cement rond een gigantische steen mee los te peuteren.
Beetje bij beetje liet het verharde cement in wolkjes stof los en het leek erop dat ze uiteindelijk in haar opzet zou slagen.
Donkere ogen staarden haar vanuit het bos aan, maar de aandacht van Henriëtta was te zeer op haar missie gericht om daar iets van te merken.
Na uren prutsen en peuteren vielen haar ogen haast dicht van de slaap. Ze wist dat ze weg moest bij de muur vooraleer de zon opkwam, maar ze was vastbesloten. Ze zou naar deze plek terugkomen!
Henriëtta markeerde de plek door de tak horizontaal tegen de muur te leggen. Daarna trok ze zich geruisloos in het bos terug.
Het bos straalde iets uit wat Henriëtta beangstigde. Het leek alsof elke boom en elke plant een eigen leven leidden en haar bespiedden. Als er op dat moment levende wezens in het bos aanwezig waren, dan lieten ze zich niet zien.
Henriëtta holde zo snel ze kon in de richting van Beacondale, haar dorp en na tien minuten kwam ze aan een open ruimte. Ze hapte naar adem. Ze was blij dat ze het bos achter zich kon laten. Ze vertraagde haar pas en wandelde door de korenvelden verder.

De zon kwam in een rode gloed vanachter de horizon tevoorschijn en vatte haar lange dagtaak aan.
Na vijf kilometer kon Henriëtta in het dal onder zich haar dorp zien liggen. Kleine lemen huisjes met rieten daken stonden kriskras door elkaar.

De modderige straten boden een troosteloze aanblik. Het wasgoed van de dorpelingen hing langs de straten te drogen. Zover het oog kon reiken werd Beacondale omringd door koren- en maïsvelden. In de verte was nog net het enorme, rechthoekige landhuis van de familie de Castilie te ontwaren, omringd door een indrukwekkende tuin en dito bos.
Het dorp was in de gloed van de dageraad tot leven gekomen. Zijn bewoners, gehuld in wollen lompen, sjokten lusteloos door de modderige straten om op de velden aan hun zware dagtaak te beginnen.
Henriëtta liep langs een stenen pad in de richting van het dal tot aan het huisje van haar ouders. Haar vader en moeder waren nergens te bespeuren.
Ze ging de kleine leefruimte binnen, opende de provisiekast en zag nog een homp oud brood op de planken liggen. Ze pakte hem op en nam een grote hap die ze lang bleef kauwen. Na het eten ging ze op de strozak liggen, die in de linkerhoek bij de haard lag en sloot haar ogen. Na een paar tellen viel ze in een diepe, droomloze slaap.
Toen Henriëtta haar ogen opende stond de zon hoog aan de hemel. Henriëtta rekte haar stramme spieren uit en geeuwde met wijd open mond. Ze stond op en plensde wat water in haar gezicht uit een ijzeren teil die op een geïmproviseerd dressoir in de hoek van de leefruimte stond. Ze huiverde toen ze het ijskoude water in haar gezicht voelde. Op dat moment zag ze twee ogen vanuit de hoek naar haar staren. Haar zes jaar jongere broertje, Wolf, keek haar aan.
“Waar heb jij gezeten?” vroeg hij.
“Dat gaat je niets aan.” repliceerde Henriëtta boos.
“Mama en papa waren heel boos toen ze merkten dat je weg was. Je zult het mogen voelen straks als ze thuiskomen.”
Henriëtta slikte even, maar vermande zich toen weer. “Ik heb niets verkeerd gedaan.”
“Ja, dat zal je straks aan hen mogen uitleggen,” antwoordde Wolf met een valse grijns op zijn gezicht.
Henriëtta negeerde haar broer en staarde naar de berg was op de vloer. Ze vloekte, ze had haar moeder moeten beloven alles vandaag nog te wassen. Ze nam de berg lompen in haar armen, griste een stuk zeep mee en sjokte ermee naar buiten in de richting van het grote meer, gelegen op vijf kilometer van Beacondale. De aanwezige dorpelingen keken haar vuil na, maar Henriëtta trok zich daar niets van aan. Ze was de rebel van het dorp en was er intussen aan gewend geraakt dat iedereen over haar roddelde.
Als ze eens wisten waar ik me ‘s nachts mee bezighoud, dacht ze geamuseerd.
Twee kleine meisjes liepen even met haar mee, wezen naar haar en lachten haar uit, maar Henriëtta negeerde hen, waardoor ze hun pogingen haar te tergen snel opgaven.

Bij het meer liet ze de hoop lompen op de keien vallen en zuchtte. Ze had een hekel aan de was, maar haar ouders werkten zo hard in de velden voor hun hongerloontje dat ze hier geen tijd voor hadden. Henriëtta was als oudste dochter van het gezin verantwoordelijk voor alle huishoudelijke taken en hoewel ze er een hekel aan had, morde ze er nooit over in het bijzijn van haar ouders.

Ze nam het eerste kledingstuk van de hoop, zeepte het in en wreef ermee over de keien. Tijdens deze uiterst saaie karwei liet ze haar gedachten de vrije loop. Ze droomde ervan haar trieste bestaan achter zich te laten en op te klimmen naar de hoogste rangen van de maatschappij. Ze wist alleen niet hoe, maar iets diep in haar vertelde haar dat de verwezenlijking van haar droom zich achter de muur bevond.
Ze werd opgeschrikt uit haar dagdromen door een oudere vrouw die vanuit de andere richting naar het meer liep. Henriëtta had de vrouw nog nooit gezien. Ze had grijzend, achterovergekamd haar dat in een dotje op de achterkant van haar hoofd was vastgemaakt. Henriëtta schatte dat ze een jaar of vijftig was. Ondanks haar sjofele kledij had ze toch een fiere blik in haar ogen en straalde ze een waardigheid uit die Henriëtta nog nooit eerder had gezien. De vrouw keek Henriëtta vriendelijk aan, knikte even en ontfermde zich toen over de was, die ze had meegebracht.
Ondanks het feit dat de vrouw haar tijdens haar werk bleef aankijken zonder een woord te zeggen, voelde Henriëtta zich daardoor niet ongemakkelijk. Telkens wanneer ze haar richting uitkeek, knikte de vrouw haar vriendelijk toe. Dat was Henriëtta niet gewend, maar de oudere vrouw kwam bij haar alles behalve bedreigend over, waardoor ze steeds vriendelijk terug knikte. Ze had echter geen behoefte aan een gesprek met de dame en de dame leek die behoefte ook niet te hebben.
Toen Henriëtta klaar was met de was, stond ze recht en mompelde ze.
“Tot ziens?”
“Zeker en vast” antwoordde de dame en glimlachte haar opnieuw vriendelijk toe.
Henriëtta begreep dit antwoord niet, maar besloot er verder geen aandacht aan te besteden.
Terwijl ze de lange weg naar huis aflegde, dagdroomde ze opnieuw over haar muur.

‘Mijn muur vol geheimen,’ dacht ze.

Koop de boeken
Contacteer ons om de cd te bestellen
Spread the message